Hulp bij rouw
'Luisteren, luisteren, luisteren en erkennen van iemands verdriet.’ Dat is, samengevat, de aanbeveling die de Lutherse predikant Hallewas doet in zijn onderzoek naar het rouwpastoraat. Aan deze aanbeveling kan de suggestie worden toegevoegd om bij het luisteren de taken uit het takenmodel voor ogen te houden. Welke aanpak je ook kiest: zorgvuldigheid is geboden wanneer je een ander wilt bijstaan in het rouwproces. Dit blijkt uit de onderstaande mogelijke reactiewijzen, ontleend aan de auteur A.R.M. Polspoel. Uit gesprekken met rouwenden blijkt dat de reactiewijzen van de omgeving tot vier vormen zijn terug te brengen: - Een niet onbelangrijk aantal mensen - uit met name de kennissenkring -, mijdt het contact met de rouwende geheel. Hoogstens uit men zijn ‘deelneming’ via een formele condoleancekaart.
- Een deel bezoekt gedurende kortere of langere tijd de rouwende, maar mijdt elk gespreksonderwerp dat het verdriet op zou kunnen roepen. Men praat over duizend-en-één onderwerpen behalve over dat éne dat de rouwende uitsluitend bezighoudt.
- Een minderheid spreekt met de rouwende over het verlies, luistert, maar eindigt zo’n gesprek met opmerkingen als: ‘het is erg, maar wees blij dat je je kinderen nog hebt’ of: ‘het is erg maar je hebt toch lang bij elkaar mogen zijn’ of: ‘het is erg maar kijk eens naar mijnheer T. dat is nog véél erger’.
- Tenslotte is er de groep, die werkelijk de rouwende nabij wil zijn, zijn verdriet deelt, de emoties niet vermijdt en deze zelfs zo nodig activeert.
Hallewas, C.F.G.E.: In de schaduw des doods, een explorerend-descriptief onderzoek naar pastoraat aan mensen in rouw, Amsterdam, 1989
|